Naar de supermarkt

We lopen zwijgend naar de supermarkt. Astrid hijgt een beetje. Ik loop ook stevig door, maar heb geen zin om snelheid te verminderen. Er vliegt een meeuw rakelings over ons heen. Astrid duikt weg. Ik kijk de meeuw na. Hij is op het Welkom in Vinkeveen bord gaan zitten. Vinkeveen, “je kan het beter Meeuwenveen noemen”, denk ik.

Ik denk wel vaker. Volgens Astrid te veel, maar dat vind ik niet. Astrid vindt dat ik meer met haar moet delen, in plaats van alles voor mezelf te houden. Dat probeer ik soms. Dan vertel ik wat ik voel, of wat ik denk. Maar dan begrijpt ze het niet. Of ze wil dat ik stop met oude koeien uit de sloot halen. Dat probeer ik te doen, maar dat kan ik niet goed. Telkens als ik probeer niet zo te denken, komt er weer iets op mijn pad om over na te denken. Letterlijk.

We steken over en lopen langs het huis op de hoek. Nummer 11. Wat was ik hier gelukkig ooit. Met Ellie en Joost en Lieve. Warme gevoelens voel ik. Fijne herinneringen, mooie momenten, liefde, aandacht. Janken van het lachen en huilen van geluk. Dat was er allemaal in dit fijne huis op nummer 11. Het te koop bord in de tuin doet mijn hart breken. Hoe durven ze. Weten ze dan niet wat voor machtig fijn huis dit is? Dat ik hier de mooiste momenten van mijn leven heb beleefd? Nee. Tuurlijk weten ze dat niet. Hoe kunnen ze dat nou weten?

Verderop zie ik een hond op de stoep poepen. Recht voor mijn oude basisschool. Ik grinnik. Astrid vraagt waarom. Ik geef geen antwoord. Een koekje van eigen deeg. Een stinkende, verse warme hondendrol, recht voor de deur van het gebouw dat me zoveel ellende heeft veroorzaakt. Ergens denk ik dat het hier allemaal is begonnen. Dat dit de oorzaak is van al mijn problemen. Buikpijn, ruzie, huilen, eenzaamheid, haat. Dat was er allemaal in dit gezellig ogende vreselijk misselijkmakende gebouw.

Snel loop ik door. Weg van deze plek. Op zoek naar een ander onderwerp om me in te verliezen. Daar. Dat kleine huisje aan de overkant. Lieve mama toch. Wat woonde je hier fijn. En wat mis ik je. Het huisje ziet er nog net zo uit als toen jij er woonde. Gelukkig maar. Zal het ook zo lekker ruiken? Naar appeltaart? Of naar dat stoofpotje wat jij ’s winters zo vaak maakte? Weet je nog? Vast niet. Je weet niet meer zoveel helaas. Laatst noemde je Astrid per ongeluk Ellie. Vreselijk ongemakkelijk was dat. En dan vraag je weer naar Joost en Lieve. Alsof ik het daar ooit nog over kan hebben. Denk het niet. Humor, warmte, gezelligheid, ziekte, afscheid. Dat was er allemaal in dit schattige huisje.

Hoe heb ik het toch zover laten komen? Hoe ben ik hier in godsnaam beland? Dat zijn vragen die ik me vrijwel dagelijks afvraag. Helaas heb ik hier nog steeds geen antwoord op. Nou eigenlijk wel. Wel duizenden. Maar toch weet ik het niet. Niet zeker tenminste. Op wélk punt in mijn leven is het nou zo mis gegaan? Was het toen ik Ellie ontmoette? Of is dat te makkelijk? De schuld op haar afschuiven. Misschien begon het wel jaren eerder. Toen ik zo gepest werd. Of toen papa wegging? Of toen ik cum laude afstudeerde zonder ooit iets geleerd te hebben. Ik weet het niet. Volgens Astrid doet het er ook niet toe. Er valt niks meer aan te veranderen. “Hou toch op met jezelf zo te pijnigen”, zou ze zeggen. Maar leg dat maar eens uit aan mijn hersenen. Die blijven altijd malen en piekeren.

Vanuit mijn ooghoek zie ik een vrouw aan komen lopen. Haar manier van lopen en dat debiele kapsel herken ik uit duizenden. Helaas. Ik heb geen zin om haar te zien en dan zogenaamd aardig te glimlachen. Ik heb geen zin om ‘goedemorgen’ te zeggen. Ik heb zin om haar verrot te schelden. Uit te leggen wat er allemaal is gebeurd dankzij haar. Dat zij mijn leven verpest heeft. Ik wil haar slaan. Ik wil haar kapotmaken. Ik wil weg. Maar ja, we lopen op een smalle stoep waar de auto’s met 60 kilometer per uur langs razen. Dus oversteken is geen optie. Ik ga achter Astrid lopen met mijn hoofd naar beneden. Ik tel de opgedroogde platgestampte smakeloze kauwgomhoopjes op de stoep. Alles om haar maar niet te hoeven zien.

Kauwgom tellen. Een rare hobby zou je het kunnen noemen. Nou ja hobby, dat is ook niet het goede woord. Een tik dan? Een verslaving? Een aandoening? Geen idee eigenlijk. Ik weet eigenlijk niet eens wanneer ik ermee begonnen ben. Net zoals dat ik niet meer kan herinneren wanneer ik mijn eerste biertje dronk. Ik deed het gewoon ineens en ben er nooit meer mee gestopt. Integendeel. Van bier naar wijn en van whiskey naar jenever. En van een drankje voor de gezelligheid ging het naar een fles om te kunnen functioneren. Treurig eigenlijk. Wat ziet Astrid in godsnaam in zo’n zielig hoopje mens? Ik wil het eigenlijk niet weten.

Eenmaal aangekomen bij de supermarkt vraagt Astrid wat ik wil.

“Ga je mee naar binnen of blijf je even buiten wachten?”

“Maakt me niet uit.”

“Wat heb ik daar nou aan?”

Niks denk ik. Je hebt helemaal niks aan dat antwoord.

“Ik blijf wel even buiten.”

Ik ga op het bankje zitten schuin tegenover de ingang van de supermarkt. De supermarkt waar ik als onzekere puber een tijdje gewerkt heb. De supermarkt waar ik mijn eerste geld verdiend heb, waar ik leerde omgaan met tegenslagen, waar ik te maken kreeg met zelfstandigheid, initiatief nemen, klantvriendelijk zijn. Het was geen succes. Binnen een maand was ik er weg.

Weglopen als het moeilijk is. Doe ik wel vaker. Lafaard, hoe vaak ik dat woord wel niet heb gehoord in mijn leven. Maar ja, lafaard? Dat vind ik wel wat overdreven. Als iets niet is zoals je had gehoopt, moet je er dan per se mee door blijven gaan? Vind ik niet. Wat mij betreft mag je best kiezen voor je eigen geluk. Als je iets niet leuk vindt stop je er toch gewoon mee? Als je je aan mensen ergert moet je ze toch zo uit je leven kunnen verwijderen? Maar ja, leg dat maar eens uit aan Ellie. Die vindt me een aso. Een mislukte vader. Harteloos heeft ze me zelfs een keer genoemd. Misschien heeft ze gelijk.

Ik kijk naar het meisje dat de winkelwagentjes poetst. Met haar rossige haar in een staart en op afgetrapte gympen. Ze heeft wel wat weg van Lieve. Mijn lieve Lieve. Wat mis ik haar ineens vreselijk. Misschien moet ik haar eens bellen. Of een brief sturen. Maar zit ze wel te wachten op contact met mij? Ze weet amper wie ik ben. Ik denk dat ze dat niet eens wil weten. Welke lul laat nou zijn zwangere vrouw en peuterdochter zonder een cent te makken achter? Ik dus. Voor mijn gevoel was het op dat moment de beste keuze. Ik werd gek. Gek van het moeten zorgen voor zo’n minimensje. Ik kon mezelf amper verzorgen. Laat staan dat lieve schattige peutertje en een eeuwig krijsende baby op komst. De rillingen lopen weer over m’n rug.

Misschien moet ik eens wat meer naar mezelf kijken in plaats van naar de dingen om me heen. Als ik mezelf nou net zo uitgebreid analyseerde als de dingen die ik zie, kon ik misschien iets veranderen. Iets veranderen aan mezelf. Aan mijn uiterlijk, aan mijn gedrag, aan mijn problemen. Maar ik wil mezelf niet uitgebreid bestuderen. Ik kan dat op een of andere manier niet aan. Het is te pijnlijk om te zien wat er van me is terechtgekomen. Astrid heeft het soms over een psycholoog. Dan kan ik daar mijn verhalen en gedachtes kwijt. Misschien is het een goed idee. Dan denk ik hopelijk wat minder na. Maar nu nog niet. Misschien morgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *