Op een bijna onbewoond eiland

We werden omringd door een eindeloos oppervlak van water. We dobberden vrij hard op de golven van de Egeïsche Zee. De golven klotsten tegen de grote zeilboot aan, de Maria NR73 genaamd. We kregen spetters in ons gezicht en proefden het zoute water in onze mond. De Nederlandse vlag aan de mast wapperde in de wind. De wind maakte de temperatuur op zee wat aangenamer, maar de zon brandde op mijn lichtgebruinde huid. Op mijn schouders zaten nog wat vegen zonnebrandcrème. Ik keek naar mijn beste vriendin Fré. Haar blonde haren waren verwilderd door de wind. Ze droeg een denim short en een witte bikinitop. Vanachter haar zonnebril met ronde reflecterende glazen keek ze de zee in. Af en toe passeerde er een andere boot, maar over het algemeen was het rustig op zee.

Op de zeilboot daarentegen was het druk. Het reisbureau had de Maria NR73 volgeladen met Nederlandse toeristen. Ze lagen dicht op elkaar op witte kussens op het middendek. Aan de zijkanten van het dek zaten ouders met kinderen. Hun benen bungelden over de rand van de boot. Met mijn hoogtevrees vond ik dat persoonlijk iets te spannend. Bovendien hadden we niet zoveel zin om met dit warme weer arm aan arm geplakt te zitten met een wildvreemde. Daarom hadden Fré en ik een plek voor op de punt van de boot geclaimd. Met onze blote benen zaten we op het gelakte hout. Geen zacht wit kussentje onder onze billen, maar we hadden wel meer ruimte en het beste uitzicht.

Na een uur naderden we een bruin rotsgebergte. We voeren een baai in en meerden aan bij een klein visserseilandje, Pserimos. Het eiland had een oppervlakte van vijftien vierkante kilometer, maar eigenlijk woonden alle 62 inwoners bij de haven en was de rest van het eiland onbewoond. Kleine vierkante wit met blauwe huisjes waren tegen het rotsgebergte aangebouwd. Daartussen liepen smalle, onverharde weggetjes.

We liepen over de houten planken van de wiebelende boot naar de kade. Een Griek pakte me bij mijn arm om me veilig aan wal te zetten. Met zijn lange haar en zijn grijze baard zag hij eruit als een gepensioneerde superheld. Zijn zongebruinde spierballen kwamen onder het randje van zijn witte T-shirt uit. “Welkom”, zei hij in gebrekkig Nederlands.

Fré en ik liepen over de kade naar de witte huisjes en het strandje. We passeerden een souvenirtentje. Onder een groene partytent stonden rekken vol armbandjes, magneten en dromenvangers en tafels vol miniatuurzeilbootjes, Grieks servies en standbeeldjes. We vonden twee bruine schelpenarmbandjes aan één van de rekken. We kochten deze als symbool voor deze vakantie en onze vriendschap. We gaven het kleine vrouwtje een briefje van tien euro en maakten duidelijk dat ze het wisselgeld mocht houden. Voor de uitgang van de souvenirtent probeerden we het armbandje om onze pols te knopen. De schelpenarmbandjes waren te groot voor onze polsen, dus knoopten we ze om onze enkels. Langzaam liepen we verder naar het strandje toe.

Het water was helder en het witte zand was zachter dan ik ooit had gevoeld. “Tijd voor een fotoshoot!”, riep Fré vol enthousiasme. We trokken snel onze kleding uit en renden het turquoise water in, totdat het water tot net boven onze knieën kwam. Fré zette haar zwarte vissershoedje op haar blonde lokken. “Let op mijn woorden, dit gaat een trend worden”, zei ze. Ik grinnikte, maar het stond haar wel goed en we waren bovendien op een visserseilandje. Elegant liep ze een paar keer heen en weer met haar hand reikend naar haar vissershoedje, haar billen naar achter en een nonchalant zwoel gezicht.

Ik wurmde me in allerlei onmenselijke posities om de beste hoek te vinden. “Prachtig!”, riep ik. Ik hield mijn mobiel vlak boven het wateroppervlak. Ik moest oppassen dat deze niet nat zou worden door de kleine golfjes. We wisselden van positie. Ongemakkelijk probeerde ik ook wat poses, terwijl ik onrustig om mij heen keek of mensen niet naar mij aan het kijken waren. Het resultaat was duidelijk minder mooi dan de foto’s van mijn vriendin.

Vermoeid van onze fotosessie ploften we neer op onze strandlakens op het witte zand. We wilden onze bikini’s laten opdrogen, voordat we onze kleding zouden aantrekken. We waren brak van de afgelopen wilde nacht in Kos-Stad. Ik kon de ouzo nog proeven in mijn mond. Op onze rug vielen we in slaap in de brandende zon.

Ik schrok wakker van een zware toeter. Snel schoot ik overeind en wreef ik in mijn ogen. Ik zag wazig. Er prikte een zandkorrel in mijn oog. Ik knipperde een paar keer. Verderop zag ik een zeilboot vertrekken uit de baai. Aan de mast wapperde een Nederlandse vlag en toen besefte ik me dat het de Maria NR73 was.

Naast mij lag Fre nog diep te slapen met haar vissershoedje over haar hoofd. Haar knieën waren zichtbaar aan het verbanden. Ik trok het hoedje van haar hoofd. “ONZE BOOT! DE BOOT VERTREKT!”, schreeuwde ik.

Snel zocht ik in mijn witte rugtasje naar de papieren met noodnummers. “Shit, vergeten in het hotel. Het ligt nog op mijn bed. Jij had ze toch in je mobiel opgeslagen Fré?”

“Uh nee”, zei ze met een grote grijns op haar gezicht. We begonnen te lachen. Het lege puntje op het dek zal vast opgemerkt worden en de Maria NR73 zal terugkeren om ons op te halen.

Ik griste mijn panterprint rokje en zwarte crop top uit het zand naast me en trok het aan over mijn inmiddels opgedroogde bikini. We sloegen het zand uit onze strandlakens en rolden deze op. Op onze teenslippers snelden we naar de opstapplaats, waar de Maria NR73 enkele minuten geleden was vertrokken.

Met één hand voor mijn ogen tuurde ik de zee in. Ik zag een paar stipjes aan de horizon, maar het lukte me niet om de Nederlandse zeilboot te herkennen. We bleven nog even wachten, maar helaas keerde de zeilboot niet terug.

Ik pakte mijn mobiel om te kijken of ik toch iemand kon bellen. Linksboven in mijn scherm zag ik dat ik geen bereik had en door de fotoshoot waren mijn batterijen leeggelopen tot 10%. “Fré, kijk jij eens op je mobiel. Is er echt niet iemand van ons reisbureau die we kunnen inlichten?” Fré pakte haar Iphone uit haar fanny pack, die nonchalant aan haar rechterschouder hing. Ze klikte met haar duim op de home button en ik keek hoopvol mee over haar schouder. ‘De Iphone moet afkoelen voordat je hem kunt gebruiken’, verscheen er op het scherm.

“Pffff”, zuchte ik. “Dit was onze laatste hoop.” Ik ging zitten op een rotsblok en staarde met voorovergebogen schouders naar mijn voeten. De zweetdruppels stonden op mijn voorhoofd. Ik kon ook wel wat afkoeling gebruiken, maar dat was nu niet onze prioriteit.

Fré praatte me moed in: “De boot komt ons vast oppikken tijdens de terugweg. Tot die tijd moeten we ons maar vermaken.”

Alle Nederlandse toeristen waren vertrokken, dus het eiland leek uitgestorven. Ik zag een paar locals op het strand, maar de meeste eilandbewoners zaten waarschijnlijk verscholen in hun kleine witte huisjes. Het havengebied van Pserimos hadden we eigenlijk allang gezien. Naast het souvenirtentje, het witte zand en het heldere water was er weinig te beleven. Mijn buik knorde. “Ik heb eigenlijk ook wel honger”, zei Fré.

Het enige terras van dit eiland was gesloten. De plastics stoeltjes waren opgestapeld en de parasols ingeklapt. Er was niet eens een supermarktje op Pserimos. “Waar halen die bewoners hun levensmiddelen?”, vroeg ik aan Fré. We liepen weer naar het souvenirtentje.

De kleine rimpelige vrouw knikte ons vriendelijk gedag. Ze wees naar de armbandjes om onze enkels en lachte dankbaar. Tussen de dromenvangers, armbandjes, magneten en beeldjes zochten we naar eten en drinken. In de hoek vond ik een klein koelkastje gevuld met koude flesjes cola en water. We keken zoekend om ons heen. Het dametje kwam naar ons toe. “We are looking for some food”, zei Fré. Het vrouwtje maakte handgebaren dat we moesten wachten en verdween achter een blauw gordijn de achterkamer in.

Daar stonden we dan, in een tent vol souvenirs met niemand om ons heen. Ongemakkelijk leunde ik tegen een tafeltje aan. Fré inspecteerde de dromenvangers die waren gemaakt van schelpen. We hadden geen besef van tijd, maar het leek uren te duren.

Opeens kwam er beweging in de blauwe gordijntjes. Het dametje sprong erachter vandaan. Ze had twee borden met eten in haar hand. Er hing een walm van gebraden vlees en knoflook om haar heen. Ze drukte de borden in onze handen. “Maar goed dat we vanavond niet uit wilden gaan”, grapte Fré tegen me. Op de typisch Griekse borden lag een pitabroodje met gyros en tzatziki. Het vrouwtje nam plaats op een klein houten krukje. Wij gingen in kleermakerszit op de grond zitten. Als hongerige wolven aten we het op, totdat de laatste kruimels van onze borden verdwenen waren. We bedankten het vrouwtje vriendelijk. We schudden voorzichtig haar fragiele hand. Fré pakte geld uit haar fanny pack om te betalen. Het vrouwtje schudde driftig met haar hoofd. Ze was allang blij met ons gezelschap. Vriendelijk zwaaide ze ons gedag.

We liepen weer naar het strandje en ploften neer op onze strandlakens in de schaduw van een olijfboompje. Om verveling tegen te gaan speelden we met onze vingers boter kaas en eieren in het zand. Ik bedacht me opeens dat ik nog een boek mee had genomen. Ik ritste mijn rugzakje open en haalde daar het Seksdagboek van Heleen van Rooijen uit. Dit boek had ik nog gekocht op Schiphol. De witte pagina’s deden pijn aan mijn ogen, dus ik zette mijn Rayban zonnebril op. Met mijn zandvingers sloeg ik pagina voor pagina om. Ik voelde de ogen van Fré in mijn rug branden. “Heb je het hoofdstuk bijna uit?” Om de beurt lazen we een hoofdstuk.

Bij hoofdstuk vijftien werd ik afgeleid door een grommend geluid in de lucht. Het werd steeds harder. Uit reflex grepen we naar onze oren. We zagen een bordeauxrood gevaarte zweven in de lucht vlakbij. De wieken van de helikopter bliezen zandkorrels in mijn gezicht en de pagina’s van mijn boek bladerden verder door de wind.

De eilandbewoners kwamen uit hun huisjes en laadden kratten vol groente, fruit, meel, blikken, rijst, pasta en wc-papier uit de helikopter. “Aaaah, dus zo komen ze aan hun eten”, zei ik, terwijl de eilandbewoners met houten kratten vol levensmiddelen op hun schouders voorbijliepen.

Ondertussen maakten we contact met de piloot van helikopter. Fré legde in haar beste Engels uit dat we vastzaten op het eiland en vroeg of we mee terug mochten vliegen naar Kos-Stad. De helikopterpiloot knikte en wees naar de stoelen achter in de helikopter.

We namen plaats op de zwarte stoelen en maakten de gordels stevig vast.  De wieken gingen steeds harder draaien, We voelden het voertuig loskomen van de grond. Uit angst pakten Fré en ik stevig elkaars klamme hand beet en keken we elkaar aan. Met mijn andere hand pakte ik mijn mobiel uit mijn rugzakje. Ik maakte een filmpje met de laatste procent batterij. Door het vieze glas zagen we de blauwe zee onder ons. Vanaf deze hoogte stelden de golven niets meer voor. Al snel kwam land in zicht en zetten we onze voeten weer vertrouwd aan de grond in Kos-Stad. “Pfff, grond onder onze voeten”, zei ik opgelucht.

“Maar we hebben tenminste wel een mooi verhaal voor thuis”, giechelde Fré. “En Pserimos, dat is een prachtig eiland! Maar niet voor langer dan twee uur.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *