Soundtrack

Koekoek. Ik was 5 jaar oud. Ik zat achterop de fiets bij mijn vader. Mijn moeder fietste er naast. We reden door een bos ergens tussen West en Midsland. Iemand riep “koekoek”, ten minste, dat dacht ik. Het was in de natte zomer van 1962. Veel toeristen waren er dat jaar niet op Terschelling, dus de bospaden waren leeg. Dat een vogel ook “koekoek” kon roepen was nog niet in mijn jonge verstand opgekomen.

“Wie roept daar?”

Mijn vader verstond me niet, dus ik vroeg het nog een keer. Hij remde en hij stapte af. Hij legde mij geduldig uit dat de vogel die dit geluid produceerde ook Koekoek genoemd werd. We zetten de rit voort. Ik luisterde achterop nog aandachtig of de Koekoek zich nog een keer zou laten horen.

Ik vind wielrennen een fantastische sport. Zó fantastisch dat ik een racefiets aangeschaft heb. Het Nederlandse platteland biedt voor de wielrenner in spé maar weinig uitdaging en dus besloot ik om op fietsvakantie in het buitenland te gaan. Het liefst op plekken met heuvels of, mooier nog, bergen. Ik kies dit jaar voor een fietsvakantie in de Pyreneeën. Ik heb me in de voorgaande jaren ontwikkeld tot een redelijke klimmer. Deze vakantie moet mijn meesterproef worden.

Na een lange reis ben ik eindelijk gearriveerd in de bergen. Ik ben onder de indruk. Ik krijg kippenvel van de schoonheid van de omgeving. De Pyreneeën ogen groot en machtig. De toppen zijn gehuld in dikke wolk en nauwelijks te zien. Ik fiets twee haarspeldbochten bergop en de regen striemt keihard tegen mijn gezicht. Ik stap van mijn fiets, zet hem tegen de rotswand aan en haal mijn regenjas uit het kleine stuurtasje.

“Lekker weertje, hè!? Kijk uit dat je fototoestel niet nat wordt!”, roept Sjoerd terwijl hij me hijgend voorbij fietst.

Ja, dat is waar ook. In mijn tasje zit ook nog een fototoestel. Eigenlijk was ik dat ding totaal vergeten. Alle mooie vergezichten waar ik de voorgaande dagen langs was gefietst, ben ik domweg vergeten te fotograferen. Door het buitje neem ik me voor om wat meer van de omgeving te genieten en om zo nu en dan te stoppen om er een foto van te maken.

Drie haarspeldbochten verder word ik opgewacht door een groep van drie medefietsers op een plek waar de weg iets breder is zodat auto’s elkaar kunnen passeren. Iedereen is bezig zijn regenjas weer uit te trekken, want de zon is inmiddels weer doorgebroken. De plek biedt een mooi uitzicht.

“Hé! Jij hebt een camera bij je, toch? Wil je zo meteen van mij een foto maken als ik de berg op kom fietsen? En kan ik hem dan later bij je nabestellen?”

Het is de stem van Johan, die van onze medereizigers inmiddels de bijnaam De Speer van Almelo heeft gekregen omdat hij op het vlakke werkelijk als een speer kan fietsen, maar bergop niet erg mee kan komen. Ik vind het best, hij mag de foto’s nabestellen.

Hoe klinkt een kudde schapen? Schaapachtig. Hoe klinkt een kudde schapen als die je de weg naar de top van de Tourmalet verspert? Hoogst irritant. Dat kan ik je wel vertellen. Ik drink een kop koffie in het plaatselijke skioord. Ik voel me uitgerust genoeg voor het laatste stuk. Steil is het. Ik ben vastbesloten om het zonder te stoppen te halen, maar tot mijn grote verbazing kan ik niet verder. Een grote kudde schapen houdt me tegen. Ik weet niet wat harder klinkt. Het geblaat van die beesten of mijn gevloek. Een oude herder met wit vlassig haar en een houten stok dirigeert de kudde van de ene naar de andere wei. Hij verstaat uiteraard niets van wat ik zeg. Als bewijs voor later heb ik hem en zijn kudde gefotografeerd. Het geluid dat bij de foto’s hoort zit voorgoed in mijn hoofd.

Nog zeven kilometer. Zeven steile kilometers. Ik sta op de trappers, zitten kan niet meer. Dan had ik maar een setje grotere tandwielen achterop moeten monteren. Mijn beenspieren knallen zowat uit elkaar. Mijn longen geven bij iedere ademhaling te kennen dat ze niet groot genoeg zijn. Mijn lijf begint stofjes aan te maken om er voor te zorgen dat ik de pijn niet hoef te voelen.

“Koekoek.”

Ik begin geluiden te horen. Een Koekoek? In de bergen? In mijn hoofd begint zich een complete langspeelplaat aan geluiden af te spelen. Ik hoor een leeuwerik die zich boven een veld al kwetterend verschuilt in het licht van de felle zon. Ik hoor een zeemeeuw die schreeuwt boven het windstille wad. Ik hoor… Twee haarspeldbochten verder hoor ik gegrom. Dat kan. Er lopen ten slotte nog beren rond in de Pyreneeën. Niet veel, maar in ieder geval zet het mij aan tot een paar extra trappen. De top begint in zicht te komen. Ondertussen begint ook de zon een rol van betekenis te spelen. Het loopt tegen enen in de middag en het wordt heet. Nog minstens vijf bochten te gaan. Geen beer te zien, maar boven mijn hoofd cirkelen gieren. Aan het geluid te horen, zijn ze de buit al aan het verdelen. In mijn gedachten sluiten ze een weddenschap af.

“Krijgen we hem in de laatste bocht of in de voorlaatste?”, hoor ik ze denken.

Johan is bij het skioord afgehaakt en heeft zich door het busje naar boven laten brengen. Hij is eerder boven dan ik. Omdat ik het er levend vanaf heb gebracht, wil hij wel iets voor me doen.

“Rob, als je nog even een stukje terugrijdt en dan opnieuw bovenkomt, dan schiet ik een mooi plaatje van je. Geef me je fototoestel maar.”

Ik draai me om, fiets honderd meter terug en doe het laatste stukje nog eens over.

“Koekoek! Even naar het vogeltje kijken”, roept Johan.

Op de foto kijk ik niet helemaal gelukkig, maar na 25 kilometer bergop fietsen lijkt me dat zeer begrijpelijk. Even pauze.

Ik fiets met 90 kilometer per uur van de berg af. Mijn zintuigen weten niet wat hen overkomt. Ik heb het koud. Mijn handen bevriezen terwijl het toch echt 25 graden is. Mijn ogen proberen de bocht om te kijken en tegelijkertijd in de gaten te houden wat voor gevaren daar liggen. Losse steentjes, een auto met caravan. Ik hoor niets behalve het suizen van de wind en mijn eigen ademhaling. Het is alsof ik snorkel in de Middellandse Zee. Doodstil, behalve het geluid van lucht en veel om op te letten. Ik weet dat er in het dal beneden een dorpje ligt en dat we daar een afslag links moeten hebben, maar ik weet niet precies welke. Gelukkig ben ik niet alleen. Ik had al besloten dat ik niet de eerste moest zijn die in de afdaling door een haarspeldbocht zou gaan. Ik ga ervanuit dat degene die voor mij fietst de route wel uit zijn hoofd weet.

Bij het kroegje in het dal staat op de hoek een wegwijzer. Ik word geroepen. Mijn medevakantiegangers die eerder beneden waren, zitten gezellig op het terras. Ik kan ook wel wat te drinken gebruiken.

“Un grand café au lait, s’il vous plaît. Et un peu d’eau.”

Ik wijs naar mijn bidon. De donkerharige jongeman die de koffie brengt, begrijpt wat ik wil. Hij neemt de bidon mee en brengt hem even later gevuld weer terug.

“Merci.”

Na een tijdje staan we op en fietsen we als groep naar onze eindbestemming. Een camping bij een dorpje een kilometer of dertig verder. De weg gaat al die tijd lichtjes bergop, maar niet meer met zo een enorm percentage als de Tourmalet.

De Speer van Almelo voelt zich stoer: “Een beetje vals plat. Ach, net als thuis. Sprintje!?”

We zijn tien kilometer verder en ik zie de lucht betrekken. Het begint te regenen. Het begint harder te regenen. Het hoost. De weg verandert in een rivier en er zit niets anders op dan schuilen. Gelukkig kan dat. Er staat een cafeetje langs de weg. Terwijl ik onder het afdakje mijn shirt uitwring, begint het keihard te onweren. Zo heb ik het nog nooit gezien. De bliksemstralen gaan van beneden naar boven. Het lijkt wel alsof ze over de bergtoppen heen spuiten. De donder houdt geen moment op, kaatst heen en weer tussen de toppen van de bergen. Ik was gewend de seconden te tellen tussen de bliksem en de donder. Met geluid kun je rekenen. Voor iedere seconde is het onweer driehonderd meter verder van je verwijderd. Hier valt niets te berekenen. Het gaat maar door. En dan opeens is het weer over. De zon breekt door en het is weer 25 graden. We gaan weer vrolijk op weg. De laatste natte kleren drogen onderweg wel.

Het is vandaag 14 juli 1989. We arriveren op de camping en er hangt een feestelijke stemming. De eigenaar heeft zijn best gedaan om de boel een beetje te versieren in verband met de nationale feestdag. De camping ligt op een berghelling die van een andere bergrug is gescheiden door een smal dal waarin beneden het onvermijdelijke riviertje stroomt. Tegenover de camping, aan de andere kant van het dal, ligt langs de weg omhoog een dorpje. Ook daar is het feest. De hele avond klinkt er muziek die tussen de berghellingen heen en weer galmt. Boney M.! In Nederland al tien jaar vergeten, maar in Frankrijk lijkt de tijd stil te staan. Wij sluiten de dag af in het restaurantje van de camping. We hebben gegeten en we drinken een biertje terwijl we kijken naar een samenvatting van de die dag verreden etappe van de Tour de France.

De volgende dag ben ik al om zeven uur wakker. Het is stil om me heen. Iedereen slaapt nog. Aan de andere kant van het dal hoor ik een bekend geluid. Wat is het? Het klinkt als een auto die optrekt en dan weer stopt. Na iedere stop hoor ik het gerammel van metaal en glas. Ik kan het even niet thuisbrengen. Het zonlicht komt nog niet over de toppen van de bergen, dus ik kan niet zien wat er aan de andere kant gebeurt. Maar dan begint het te dagen. Het is het geluid van een vuilniswagen die de restanten van het feest van gisteravond op komt halen.

“Koekoek”, zegt een stemmetje in mijn hoofd.

Ik realiseer me tegelijkertijd dat ik al de hele reis naar deze camping toe achtervolgd word door geluid. Een fietsvakantie is een combinatie van voelen, de spieren dan met name, proeven, ruiken, horen en zien. Voor mij komt het horen voor het zien. De vuilniswagen maakt mij duidelijk dat ook geluid voor goede herinneringen kan zorgen. Helaas kan ik die niet in een album plakken, maar vergeten zal ik het ook niet. Opeens schieten mij allerlei geluiden van vroeger te binnen. Regendruppels op een tentdoek, een politiepaard op een asfaltweg, het breken van de golven op het strand. Ik herinner me vooral de Koekoek op Terschelling. In mijn gedachten klinkt zijn roep nog net zo helder als toen ik een klein jongetje was. Gek genoeg heb ik daarna nooit meer een koekoek gehoord. De camera in mijn tas is al die tijd overbodig geweest, bedenk ik. Ik had beter een bandrecorder mee kunnen nemen. Dan had ik behalve herinneringen aan alles wat ik onderweg heb gezien, ook een soundtrack kunnen maken. Geen film kan zonder.

De vuilniswagen rijdt door en het is stil in het dal. Ik waag het erop en roep één keer heel hard:

“Koekoek!”

Niemand geeft antwoord, behalve de echo.

“Koekoek! Koekoek! Koekoek!”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *