De meest sympathieke burger

Sinds corona zit ik elke dag in mijn bunker van grijs beton. Een studio van 27 vierkante meter. Mijn ouders behoren met hun zestigjarige leeftijd tot de risicogroep, dus ik isoleer mezelf telkens een week voor ik bij hen op bezoek ga. Met mijn drieëntwintig jaar loop ik weinig risico om ernstig ziek te worden van het virus, maar dat is voor mijn ouders wel anders. Het afgelopen jaar heb ik me zo’n zeven keer laten testen. Mijn vrienden noemen ‘hypochonder Hester’. Ik heb weinig reden om doordeweeks naar buiten te gaan, behalve voor een bezoekje aan de supermarkt. Het liefst ga ik nog om zeven uur ’s ochtends mijn brood halen bij de Albert Heijn, samen met de ouderen en kwetsbaren. Vandaag heb ik die luxe niet. Vandaag is de dag van de verkiezingen.

 

De tram en de metro razen rinkelend voorbij. Op station Lelylaan lijkt men niets te merken van de coronacrisis. Een mensenmassa haast zich voor het openbaar vervoer. Na tien jaar Rutte is het tijd voor verandering. Meer geld voor de zorg, het onderwijs en betaalbare woningen, daar ga ik vandaag voor naar buiten.

 

Met tegenzin pak ik mijn stempas en jas, om zo door de menigte te lopen. De lift brengt me naar de begane grond, vanwaar ik mijn gebouw uitloop richting het station. Vijfenveertig seconden. Zo lang duurt het voor ik bij de metro ben. Ik heb het ooit getimed.

 

Onder het station staat een groep jongens van een jaar of zeventien met groene Felyxs-scooters. Twee van hen rijden erop en schreeuwen hard wanneer ze tegen elkaar oprijden.

 

“Kankermongool, kijk uit je doppen dan!”

 

Ik probeer er met een grote boog omheen te lopen. Een van de jongens loopt mijn kant op. Ik zoek naar een andere uitgang om de jongen te ontwijken, maar zijn pas is sneller. Voor ik er erg in heb, pakt hij mijn arm. Geschrokken kijk ik hem aan.

 

Wat zou hij willen? Waarom houdt hij me zo stevig vast? Straks heeft hij corona! Ik raak binnen enkele seconden in paniek. Mijn blik loopt synchroon met mijn emotie, tot ik in de ogen van de jongen kijk.

 

Het ene oog van de jongen kijkt rechtdoor en heeft een wazige glans over zijn pupil. Het andere oog wordt bedekt door huid. Hij kijkt, maar ziet me niet. De jongen pakt mijn hand nog steviger vast.

 

“Zou u mij naar de tram kunnen brengen, mevrouw?”

 

Beschaamd bestudeer ik de jongen.

 

“Ja, natuurlijk wil ik dat!”

 

Terwijl ik de jongen naar de tram begeleid, voel ik me schuldig. Op het moment dat we wandelen, kan ik namelijk maar aan twee dingen denken: Straks heeft hij corona of is dit een grap van de jongens met de Felyxjes. De schaamte maakt mijn wangen rood. De handen van de jongen zijn klam, net als die van mij. Hij leunt flink op me en beweegt steeds een stukje verder richting het fietspad. Mijn schouder duwt hem zachtjes terug op de stoep. Stapje voor stapje komen we dichter bij het station, waar tram 1 net aan komt rijden.

 

“Is dit de tram die je moet hebben?”, vraag ik.

 

De jongen knikt en uit het niets pakt hij me beet. Een dikke knuffel krijg ik voor mijn argwaan.  Hij probeert me nog een kus op mijn wang te geven, maar ik duik snel weg.

 

“Dank u wel, mevrouw. Dank u wel.”

 

Hij lacht, brabbelt nog iets na en stapt de tram in.

 

Ik kijk nog even achterom hoe de tram richting het centrum beweegt. Ongemakkelijk loop ik weer langs de jongens met de scooters op weg naar het stembureau.

 

Voor het stembureau staan pompjes desinfecterende handgel. Een doorzichtig kwakje met een nog viezere structuur dan glijmiddel, plakt aan mijn handen en wangen. Ik was mezelf grondig op de stoep. Een opgeluchte glimlach verschijnt op mijn gezicht. Geen corona meer op mijn lijf. Ik loop door naar binnen, waar ik voor de tweede keer in mijn leven het ingewikkelde vel met namen aangereikt krijg.

 

Enthousiast loop ik het stemhokje uit. Ik heb met mijn rode potlood het vakje van een vrouw laag op de lijst ingekleurd. De lach op mijn gezicht verdwijnt op het moment dat ik denk aan de blinde jongen. De jongen die hulp nodig had bij het vinden van het openbaar vervoer.

 

En wat doe ik? Ik ben slechts bezig met corona. Ik schaam me diep. Mijn angst is dat ik mijn ouders besmet. Zijn angst is waarschijnlijk dat hij de weg naar huis niet meer kan vinden. In deze onstuimige tijd verlies je gemakkelijk perspectief. Ik neem mezelf voor in het vervolg minder bevooroordeeld te zijn naar anderen.

 

Fijn dat ik een goede daad kan verrichten op papier, maar de stem voor meest sympathieke burger, geef ik mezelf vandaag niet.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *