De bom in de Voetboogstraat

Het terras in eind augustus. Samen met Ellis en Jacob zit ik aan de wiebelige picknicktafels in de Voetboogstraat van Amsterdam. Ellis zoekt door haar grote zonnebril haar sigaretten in een witleren handtas. Haar donkerbruine haar valt sierlijk over haar witte colbert. Ze kijkt me opgelaten aan wanneer we proosten op de zomeravond. Een grote kan bier en twee volle asbakken staan voor ons. De aangename schaduw bedekt onze tafel. Zon is er nooit in de smalle Voetboogstraat. Het blijft een bijzondere plek voor een terras. Ellis en Jacob kletsen me de oren van de kop over hun vakantie in Catalonië, terwijl ik doe alsof ik het verhaal niet al drie keer heb gehoord sinds ze terug zijn. Jacob lacht terwijl de barman voor de zoveelste keer onze asbak leegt.

 

“Heb je zo nog een extra plekje, kerel? Er komt nog een goede vriend van me aansluiten.”

 

Jacob is de nieuwe vriend van Ellis. Ik heb Jacob nog nooit gezien zonder perfect gestreken overhemd en strak naar achter gekamd haar. Zonder Ellis zou er voor ons geen enkele reden zijn om elkaar te mogen, laat staan met elkaar op het terras te zitten. Het slaat op mijn humeur dat een van Jacobs vrienden zo komt aansluiten. Weer zo’n corpsbal die verkondigt hoe rijk zijn vader is en hoeveel boten aan de stijger drijven. Sinds Ellis met Jacob is, hoor ik wekelijks hoe zielig het is dat ik single ben. Ik ben liever single dan samen met een kakker. Ik kijk geïrriteerd naar de houten picknicktafel en giet snel mijn derde biertje achterover. Het is niet de eerste keer dat ik vrienden van Jacob ontmoet, maar ik besluit bij dezen dat het wel mijn laatste keer wordt.

 

Jacob begint vrolijk te zwaaien.

 

“Kerel, hoe is het dan?!”

 

Ik kijk niet om, die moeite heb ik al opgegeven. Mijn vooroordelen heb ik al paraat, tot een knappe jongen met zwarte krullen en een aanstekelijke lach in mijn blikveld verschijnt. Hij lacht vriendelijk naar me, stelt zich voor als Ronald en komt naast me zitten.

 

“Hard gewerkt, jongen?”, vraagt Jacob.

 

Ronald vertelt dat hij columns schrijft voor de NRC, maar vanmiddag eerder is gestopt om een rondje te fietsen op de racefiets. Ik luister aandachtig en kwijl nog net niet. Hij kan schrijven én fietsen. Hij fietst blijkbaar regelmatig in het Amsterdamse bos, en ik vraag me af of we elkaar daar misschien eerder wel eens zijn gepasseerd.

 

Ellis en Jacob vertellen het verhaal van hun vakantie nu aan Ronald. Ronald raakt na een paar minuten ook afgeleid, wanneer Ellis en Jacob in een discussie belanden over de mooiste stranden van Spanje. Ronald kijkt me aan en lacht.

 

“Zo’n vakantie klinkt hartstikke leuk, maar ik zou toch liever fietsen door Azië. Wat jij?”

 

“Fietsen klinkt goed…”, brabbel ik terug.

 

Hij wordt met ieder woord dat hij zegt interessanter. Hij komt zelfverzekerd over met zijn open geknoopte overhemd en wilde haren. Ik vertel over mijn passie om reisverhalen te schrijven. Hij luistert aandachtig en verliest geen moment mijn oogcontact. Het laatste beetje licht in de Voetboogstraat verdwijnt, maar door de biertjes die we gretig drinken, merkt het gezelschap aan de picknicktafels hier niets van. Ik dreig te verdwalen in een dagdroom over Ronald.

 

“Mensen, iedereen moet zo snel mogelijk naar binnen”, luidt de zware stem van een intimiderende politieman plots.

 

Ik kijk op. Ellis, Jacob en Ronald staan op om te verplaatsen. Mijn dagdroom werpt een blik op me en vraagt grappend of nog aanwezig ben. Ik sta snel op en doe alsof ik last heb van het licht dat in mijn ogen prikt. Ronald loopt naar de politieman toe om te vragen wat er aan de hand is. Wij lopen vast braaf de kroeg in. Eenmaal binnen zegt Ronald geïrriteerd dat de politieagent ons niet kon vertellen wat er aan de hand was.

 

“Dat lees je morgen wel in het nieuws volgens de politieagent”, zegt Ronald.

 

Iedereen zoekt in de kroeg als een kip zonder kop naar de laatste lege barkruk. Het is al snel duidelijk dat er geen plek is voor ons groepje om te gaan zitten. Ellis en Jacob snoepen de laatste barkrukken weg.

Ronald en ik besluiten samen een potje te gaan poolen in de ruimte verderop. We praten tijdens het poolen over onze ideale vakantiebestemmingen en de Nederlandse taal, waar we allebei een voorliefde voor hebben. We vergeten wat er zojuist op het terras is gebeurd en de avond lijkt als een sneltrein te gaan.

Vlak voor hij aan de beurt is om de zwarte bal te raken, kijkt Ronald me met zijn bruine ogen langdurig aan. Het maakt me rood. Ik frunnik wat aan mijn blouse en zeg snel dat ik een rondje bier ga halen aan de bar. Ik kan mijn glimlach amper bedekken, en snel loop ik de poolruimte uit.

 

Ellis ziet me staan bij de bar, waar ik sta te wachten op mijn beurt.

 

“Ik dacht dat jij niet op kakkers viel, wijffie.”

 

We lachen en ik moet bekennen dat het me ook verbaast. Hij is inderdaad een kakker, maar niet zoals de andere vrienden van Jacob. Hij is intellectueel, zacht, humoristisch en sportief.

Ondertussen bestel ik twee biertjes en we lachen om mijn rode hoofd en onzekere houding. Ellis kent me zo niet.

 

“Geef me dan op zijn minst gratis bier! We kunnen hier niet weg!”, roept een hysterisch meisje dat naast me staat ineens.

 

Ze staat op haar tenen in haar Nike Air Max en leunt over de bar. De kapotgestijlde haren hangen in een plasje bier. Haar mannelijke variant staat naast haar en oogt even geïrriteerd. Zijn lijf zit volledig onder de tatoeages en zijn joggingbroek hangt net boven zijn bilspleet. Hij schreeuwt, mogelijk nog harder dan zijn vriendin, dat hij gratis bier verwacht en slaat met zijn gespierde armen op de plakkerige bar.

 

“Van die lamme kampers. Ga gewoon lekker poolen.”, zegt Ellis.

 

Ze geeft me een bevestigend knikje. Ik loop met trillende handjes terug naar de poolruimte.

 

We zijn alweer drie potjes pool en twee knipogen verder, wanneer de barman naar ons toe komt.

 

“Jullie moeten bij de ramen vandaan. Ze kunnen elk moment springen.”

 

We kijken de barman verward aan.

 

“De ramen staan op springen? Staat er iets op exploderen dan?”

 

De barman verschiet van kleur.

 

“Blijf alsjeblieft rustig en drink gewoon je biertje.”

 

Hij loopt met snelle passen naar de volgende pooltafel om de andere gasten hetzelfde nieuws te brengen. We lopen de poolruimte uit om buiten rustig een sigaretje te roken. We merken pas wanneer we bij de deur aankomen dat deze op slot zit.

 

“Jullie tortelduifjes hebben echt niks door, hè? De deur zit al twintig minuten dicht. Het nieuws kwam net voorbij op AT5: er ligt een bom naast onze kroeg.”

 

Jacob en Ellis grinniken. Ik voel mijn wangen rood aanlopen. Mijn handen worden klam. We kunnen hier niet weg.

 

De sfeer is sinds het laatste rondje bier volledig omgeslagen. Ik kijk over de schouder van Ronald de kroeg in. Mensen duwen tegen elkaar aan en schreeuwen steeds luider.

 

“Gasten uit het leger lopen door de straten! Het is een aanslag!”, schreeuwt het kampermeisje door de menigte heen.

 

Ronald ziet mijn geschrokken blik.

 

“Of het is een rotje uit 2006.”

 

De goedbedoelde reactie van Ronald lijkt niet te helpen. Mensen raken in paniek en beginnen elkaar richting de deur de duwen. Mijn ogen zoeken naar een weg uit deze ruimte.

 

“Gaat het wel?”, vraagt Ellis.

 

Ze ziet de tranen in mijn ogen prikken. Ik brabbel wat over zuurstof, maar kom niet meer uit mijn woorden. Ronald pakt mijn klamme hand stevig vast.

 

“Ademen.”

 

De barman probeert mensen binnen te houden, maar staart paniekerig om zich heen. Hij heeft de opdracht van de politie gekregen mensen rustig in de kroeg te houden. De vriend van het hysterische kampermeisje staat vooraan in de menigte. De barman roept dat we voorlopig het pand niet mogen verlaten voor onze eigen veiligheid. De kamper loopt rood aan. Hij balt zijn vuisten en zijn tanktop laat weinig aan de verbeelding over. Hij is volledig afgetraind en slaat als hij wil met gemak de barman knock-out. Ronald schiet te hulp.

 

“Aan die armen te zien kan ik geen stoeipartij van jou winnen. Wil je een biertje? Je krijgt hem van mij.”

 

De kamper lijkt te bedaren, net zoals de rest van de menigte. We zitten nog wel even vast hier, dat is duidelijk. Gasten lopen langzaam naar de bar en bestellen een voor een kannetjes bier. De barman zet The Kinks op en mensen dansen ingetogen mee. Jacob, Ellis, Ronald en ik eisen een plekje op aan de bar.

 

Na zo’n drie uur in de warme, onstuimige kroeg, komt de politie binnen.

 

“Jullie mogen per twee personen naar buiten onder begeleiding van een agent.”

 

De meeste mensen staan al een poos vermoeid te wachten in een rij. De kroeg loopt steeds verder leeg en de ruimte vult zich weer met zuurstof. Ronald en ik zitten nog steeds aan de bar, verwikkeld in een discussie over de krant met de beste columnisten.

 

“We mogen er eindelijk uit. Gaan jullie mee?”, vraagt Ellis ineens.

 

Ronald kijkt me vragend aan.

 

“Nou, dat was leuk… Misschien zie ik je nog eens?”

 

Voor het eerst vanavond heb ik niet de neiging rood aan te lopen of aan mijn blouse te frunniken.

 

“Kom je nog een drankje doen bij mij? Deze kroeg hebben we wel uitgespeeld, geloof ik.”

 

Ronald knikt opgelucht.

 

Ik loop de kroeg uit, geëscorteerd door twee politiemannen, een nieuwe liefde en een goed verhaal.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *