“Strakke lakens”

30 April 1980

 

Ik zat naast Theo aan een bar in een hotel op de Nieuwendijk. We waren op een kroegentocht geweest. Het was al laat. Het hotel was de enige plek waar nog geschonken werd. De barman had een wit overhemd aan. Onder zijn ogen hingen grote wallen. Hij stond hier duidelijk al veel langer dan dat we aanwezig waren, minstens een uur of acht. De bar was onderdeel van de lobby van het hotel. Op verschillende plekken lagen Perzische tapijten. Tapijten die je ziet bij je overgrootouders, of in stoffige kringloopwinkels. Op deze tapijten stonden stoelen en tafels. De mannen die daar zaten waren voornamelijk van Chinese afkomst. Ze waren aan het gokken.

Ik kende Theo van de kroeg. Het was niet mijn vriend, ik lag er alleen mee in bed. Dit was zonder gezeur. Het werkte prima voor ons. Voordat we samen het bed in doken gingen we langs kroegen. Het was een ritueel geworden. Misschien deden we dit om onszelf te verantwoorden. Dat we meer dan ordinaire scharrels van elkaar waren. Het maakte het alleen maar ingewikkelder. Mijn omgeving begon vragen te stellen.

Het hotel was geen willekeurige keuze. Theo kende de barman. Hij had mij hier nooit eerder mee naartoe genomen, normaal lagen we rond dit tijdstip al in elkaars armen.

Boven de bar flikkerde lichtjes. Ik werd er duizelig van.

“Gaat het Cora?” Theo klonk bezorgt.

“Die flikkerlichten maken mij draaierig schat.”

Er ontstond een druk op mijn voorhoofd. Voor mij stond een vol glas bier. Ik moest er niet aan denken om nog een slok te nemen. Rechts achter de barman hing een televisie aan het plafond. De grijs/witte beelden creëerden vlekken voor mijn zicht. Langzaam zakte ik weg. Het moet de vermoeidheid zijn geweest.

“Arie, kan Cora even op een leeg kamertje liggen ofzo?”, hoorde ik Theo vragen.

Het werd zwart voor mijn ogen. Mijn lichaam viel achterover van de kruk. Het werd donker.

 

Een stem riep mij van ver. Het was de stem van Theo.

“Wat zeg je Theo? Wat zeg je?”

De aarde begon te trillen. Ik kon mijn evenwicht niet vinden. Ik viel om.

 

Mijn ogen gingen open. Theo schudde mij wakker.

“Cora, we moeten gaan!”

Versuft zette ik mijn voeten op de grond. Theo zette ze in mijn schoenen en begon haastig de veters te strikken.

“Wat is er gebeurd?”, vroeg ik.

Theo trok me omhoog.

“Geen tijd voor vragen, we hebben haast.”

We liepen door een lange gang. Ik was nog steeds duizelig. We kwamen bij een trap. Het was een smalle trap, te smal om met twee mensen naast elkaar te lopen. Theo pakte mij van achter onder mijn oksels voor ondersteuning. Voorzichtig maar gehaast begeleidde hij me naar beneden. We arriveerden in de lobby van het hotel. Uit de een hoek klonk een helse schreeuw. Ik draaide mijn hoofd om. Er lag iemand op de grond, zijn handen onder het bloed. Zijn ogen waren dichtgeknepen, zijn mond was opengesperd. Hij leefde nog.

“Godverdomme, wat is hier gebeurd?”

“Iemand heeft geschoten Cora, we moeten gaan voor de politie komt.”

Ik woonde in de Jonge Roelensteeg, niet ver van het hotel. Mijn linkerarm hing ter ondersteuning over Theo zijn schouders. We liepen over de Dam en sloegen de Paleisstraat in. Het was eind april. De vogels floten luid, te luid voor wat mijn hoofd aankon. De eerste lichtstralen raakten de tegels van de straat. De zon zat nog achter de gebouwen.

We liepen naar het steegje waar ik woonde. Bij de ingang van de steeg stonden mannen in blauwe pakken. Theo stopte met lopen.

“Kut. Cora, ik moet wegwezen.”

Hij liet mijn schouders los en zette het op een rennen. Ik riep zijn naam. Hij was de hoek al om. Voorzichtig liep ik verder. Bijna thuis, dacht ik.

De mannen in het blauw hielden mij staande.

Een grote, blanke man met een helm op ging voor mij staan.

“U mag hier niet verder mevrouw.”

“Maar ik woon hier!”

“In verband met de kroning kunt u niet verder. Loopt u maar om.”

De kroning? Welke kroning? Mijn brein was te vermoeid om na te denken. Ik liep terug naar de Paleisstraat. Op de Dam liep een groep mensen. Het waren er veel voor dit vroege uur. Ze zetten een spandoek op.

“GEEN WONING, GEEN KRONING”, stond er met dikgedrukte letters.

Achter mij klonken snelle voetstappen. De mannen in blauw renden naar de Dam. Gewapend met knuppels en schilden gingen ze op de groep af.

Ik was een sensatiezoeker, ook al wilde ik het niet toegeven. Normaal was ik blijven kijken, maar het enige waar ik aan kon denken was mijn bed. Ik sloeg mijn steeg in en opende de deur van mijn huis.

 

Ik had mijn bed voor Theo opgemaakt. Dit deed ik anders nooit. Hij was weggerend voor de politie. Het was duidelijk dat ze hier niet voor hem waren, maar voor de kroning van Beatrix. Had Theo die man neergeschoten? Het leek mij sterk. Ik ging veel met mensen uit de onderwereld om, maar Theo was tramchauffeur. Hij zou vanmiddag gewoon op lijn 17 werken, zoals hij dat al jaren deed. We waren op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats.

Uiteindelijk valt alles op zijn plek, dacht ik. Langzaam voelde ik mijn lichaam steeds dieper in het matras zakken. Ergens in de kamer hoorde ik geknabbel van een muis. Ik viel in slaap.

 

Ik werd gewekt door gelach van buiten. De zon was gedraaid en scheen in mijn gezicht. Ik hapte naar adem. Mijn lichaam voelde uitgedroogd. Op mijn nachtkastje stond een fles water. Ik dronk de hele fles leeg.

Mijn huis was een studio-appartement op de bovenste verdieping van het gebouw. Wat ooit een zolder was geweest had mijn huisbaas omgebouwd tot een kleine starterswoning. Naast mijn bed zat een raam waar je uitkeek op de Kalverstraat. Het was druk. Mensen liepen massaal naar de Dam. Ik keek omhoog. De zon sneed in mijn ogen. Het was warm en koud tegelijk. De kater was erger dan anders.

 

Het was zaterdagmiddag. Op zaterdag had ik een anti-kater plan. In de koelkast stonden drie eieren. Deze bakten ik. Ik gooide er een half potje chili overheen. Dat werkte goed tegen de kater, omdat van pittig eten je poriën open gingen staan. Het was een trucje dat ik van Theo had geleerd.

Ik zette de douche zo heet mogelijk. De laatste resten alcohol zweette ik uit. Ik kleedde mij met dezelfde kleren aan die ik gister aanhad. De laatste stap van het anti-kater plan, was rechtstreeks terug naar de kroeg gaan. Vanwege de kroning moest alle horeca dicht. Mijn ervaring was dat de stad zich daar niks van aantrok. Met vertrouwen in de Amsterdamse eigenwijsheid liep ik naar mijn vaste kroeg aan het eind van de steeg.

 

Ik had geluk. De kroeg was als enige in de straat geopend. Op het terras zaten dezelfde mannen in blauw die mij vanochtend tegenhielden. Ze dronken koffie uit kleine kopjes. De grote blanke man zat met zijn benen over elkaar in de zon. Hij keek mij aan.

“Mevrouw, sorry voor vanochtend. Ik doe alleen mijn werk.”

“Geeft niet hoor schat.”

Mijn vriendin Mariska was de eigenaar. Ze keek naar een televisiescherm in de hoek van de bar. Op het scherm stonden Beatrix en Claus op het balkon van het Paleis. In werkelijkheid speelde het zich nog geen honderd meter van ons af. Mariska tapte een biertje en zette het voor mij neer. Samen staarden wij gefixeerd naar de beelden.

“Ze laten niks van die rellen zien”, begon Mariska.

“Welke rellen?”

“De krakers zijn aan het rellen. De ME probeert ze weg te houden van de Dam.”

 

De stad stond de afgelopen maanden in het teken van woningnood. Uit frustratie begonnen mensen leegstaande panden te kraken. De krakers vormden een partij die streed voor meer betaalbare woningen. De kroning was het perfecte moment om gehoor te krijgen.

 

“Ze moeten normaal doen. Dat hoeft toch niet met agressie?”

Mariska keek me aan. Haar wenkbrauwen vormden een golf. Haar lippen stonden strak op elkaar. Buiten stonden de mannen in blauw op. De grote blanke man gaf bevelen aan de anderen. In zijn hand had hij een walkie-talkie. Hij schreeuwde er dingen in. De mannen stapten in busjes die dezelfde kleur hadden als hun outfits. Binnen een paar seconden was het terras leeg. De weg was vrij van autoriteit.

Mensen renden door de steeg. Sommigen van hen hadden honkbalknuppels of lege flessen in hun handen. Ik stormde naar buiten.

 

De steeg was geblokkeerd. Burgers gingen met elkaar op de vuist. Mijn enige uitweg was mijn huis. Ik deed de sleutel in het slot en keek nog een keer naar links. Daar kwam Theo aanrennen. Zijn mond stond open. Hij fronste. In zijn hand had hij een grote stok.

“Theo! Theo!” Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf.

Theo stopte met rennen. Zijn ogen werden groot.

“Cora, naar binnen! Kom!”

Theo trok de deur dicht. We stonden in het trappenhuis van mijn appartementencomplex.

“Theo, wat is er gister gebeurd? Die man… wat heb je gedaan?”

Hij keek naar de grond. Een traan gleed van zijn wang. Ik streelde zijn lange, vettige haar achter zijn oren.

 

“Luister Cora. Ik heb al een tijdje geldproblemen. Vorige week werd ik benaderd door een oude kennis. Hij had sterke mensen nodig voor een klus. Het zou goed betalen. Eerst had ik mijn twijfels: ik ben een normale man, met een eerlijke baan. Het zou niets voorstellen. We moesten wat krakers het huis uitzetten. Tot knokken zou het nooit komen.”

Zijn hoofd kwam omhoog.

“Ik had het nooit moeten doen, Cora.”

Ik begreep niet wat hij bedoelde. Was Theo van de ene op de andere dag een moordenaar geworden?

“Het liep uit de hand. Een kraker vloog me aan met een baksteen. Ik wist hem van mij af te duwen. Hij belandde verkeerd, met zijn nek op een trapleuning. We hebben hem geprobeerd te reanimeren, maar er was geen beginnen aan…”

Tranen begonnen langzaam over zijn wang te rollen. De eerste snik kwam tevoorschijn.

“De broer van die jongen… die kwam gister het hotel binnen, toen jij op bed lag. Hij probeerde mij te wurgen. Die gokkers probeerden hem van mij af te halen. Ze hebben geschoten, Cora.”

Theo legde zijn hoofd op mijn schouders. Hij pakte mij stevig beet. Buiten klonken er vloekwoorden, geschreeuw en rondvliegende scherven. Binnen klonk getik, door de tranen van Theo die op de houten grond vielen.

Ik stelde voor om naar boven te gaan. Zoals Theo mij gister van die smalle trap in het hotel omlaag hielp, hielp ik hem nu omhoog naar mijn studio. Bij elke stap die Theo zette kraakte de trap. Bij elke stap die ik zette klonk er hoogstens een kleine piep. Het leek een eeuwigheid te duren voordat we boven waren.

Theo ging op mijn bed zitten.

“Wat een dag he, wat een chaos…”

Ik knikte en draaide mij om, pakte twee biertjes uit de koelkast en ging naast Theo zitten. Theo ging gestrekt op bed liggen.

“Wil je bij me komen?”, vroeg hij.

Ik grinnikte. Als ik dit geweten had, had ik mijn bed opgemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *