Werken in het onderwijs: geweldig of gruwelijk?

Een zoektocht in de wondere wereld van het onderwijs

Compleet impulsief heb ik twee jaar geleden een baan als docent Nederlands aangenomen. Ik had geen enkele ervaring, maar ik kon wel wat met taal en jonge mensen leken me leuk om mee te werken. Snel leerde ik mezelf zwemmen en had ik veel plezier in het lesgeven. Toch merkte ik al na korte tijd dat het beroep een schaduwkant heeft. Het burn-outpercentage is erg hoog en het lerarentekort stijgt. Waarom wil niemand in het onderwijs werken? Of juist wel? En vooral: hoe lang ga ik dit zelf nog leuk vinden? Auteur: Sip Markink

HOOFDSTUK 1:
PASSIE VOOR HET VAK

Twee jaar geleden heb ik mezelf compleet in het diepe gegooid door een baan als docent Nederlands aan te nemen zonder enige ervaring. Ik had net de Netflix-serie Rita gezien, die gaat over een heel leuke docente op een middelbare school. En ik dacht: dat lijkt me ook wel wat. Ik kreeg een 3 havo/vwo klas en moest het maar uitzoeken. Het was een leuke, lieve klas met enkele druktemakers. Jongens die constant elkaar aan het plagen waren en elkaar bekrasten met pen. Op een gegeven moment blèrde de ene door mijn uitleg heen: “Ik heb een streep!” Waarop ik eruit flapte: “Je moeder heeft een streep!” De hele klas lag in een deuk en dat was het eerste moment dat ik dacht: oké, er valt wel wat te lachen in dit werk. Ik ga me wel vermaken. Dit maakte mij nieuwsgierig naar de verhalen van andere docenten. Wanneer hadden zij het idee: dit lijkt me leuk? En wat maakt het onderwijs voor hen zo leuk?

Voor Rosanne Beentjes, docente wiskunde op een vmbo-school, is dat precies dezelfde reden waarom het onderwijs zo leuk is om in te werken. “De humor met de leerlingen maakt het zo leuk. Vorig jaar had ik twee Marokkaanse jochies in mijn klas die me elke dag lieten janken van het lachen met hun grapjes.” Dat dynamische vindt ze geweldig. “Ik geef nu ook les in het speciaal onderwijs, dus met kinderen die gedragsproblemen hebben. Een van de eerste dagen vloog er om half negen al een dildo door het lokaal. Het is nooit saai.” Rosanne vindt het ook leuk om het vak wiskunde begrijpelijk te maken voor leerlingen. “Veel leerlingen vinden het een moeilijk vak en dat hoeft echt niet zo te zijn. Ik wil het ze leren.” Het werken met de doelgroep trekt haar ook erg. “Ze zijn zo leuk en ze zitten ook in zo’n lastige fase van hun leven. Ik heb zoveel steun gehad aan een paar goeie docenten op mijn middelbare school. Dat wil ik ook voor leerlingen betekenen.”

“Een van de eerste dagen vloog er om half negen al een dildo door het lokaal.”

Voor Anne van Wessel, docente Natuurkunde, is het werk het leukst als leerlingen uit zichzelf natuurkundige vragen stellen. Waarom kan een glas water dat vol lijkt nog een beetje voller zonder dat het eroverheen giet? Waarom kunnen we op de maan hoger springen? “Op dat moment blijkt dat een leerling oprecht nieuwsgierig is naar natuurkunde en niet alleen iets willen weten om een toets te halen”, vertelt Anne. Dat zijn de momenten wanneer ze haar vak het meest leuk vindt. “Als docent hoop ik natuurlijk bij hen interesse op te wekken voor het vak en het is mooi als dat lukt.”

Naast passie voor het vak overbrengen zijn er nog zat andere redenen om voor dit beroep te kiezen. Patries van Haaren is jarenlang docente Lichamelijke opvoeding geweest in het vmbo en geeft nu les op de Hogeschool van Amsterdam. Volgens haar zijn dingen leuk als je merkt dat je er goed in bent. “Vanuit de omgang met de kinderen op die school, wat geen makkelijk publiek was, merkte ik dat ik ze wat kon leren. Ik kon invloed uitoefenen en ze respecteerden me.” Dat gaf een gevoel van competentie en dat maakte het leuk voor haar. “Ik vind vooral het publiek voor mijn neus leuk, heb niet een of andere passie dat ik iedereen wat wil leren. Zoals een vriendin van me wel heeft, die zou op haar grafsteen nog zetten ‘ze inspireerden velen’. Bij mij zou dat meer iets zijn als ‘nou, dat was het dan’.

“Ik vind het publiek vooral leuk. Heb niet een of andere passie dat ik iedereen wat wil leren.”

Toch is onderwijs iets wat je uit passie doet, wordt vaak gezegd. Voor het geld en de status hoef je het in ieder geval niet te doen. De bekendste meester van Nederland –  Meester Bart – is misschien wel de belichaming van deze passie voor het vak. Enkele jaren geleden begon hij de uitspraken van zijn leerlingen op te schrijven en te posten op Facebook en Twitter. Dit werd steeds groter en groter en uiteindelijk zijn ze gebundeld in een boekje. Daarop voortvloeiend is Bart columns gaan schrijven voor Trouw, die veel gelezen worden. In deze podcast is journalist Lex Bohlmeijer driekwartier in gesprek met Bart over het onderwijs. Wat maakt voor hem het vak zo mooi en welke docent is hem zelf bijgebleven?

HOOFDSTUK 2:
HET LERARENTEKORT

Onderwijs is een mooi vak en er zijn veel mensen die er met passie over kunnen vertellen. Toch ontstaat er in Nederland een steeds groter wordend lerarentekort. Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar over dit lerarentekort, want het heeft nogal wat voeten in de aarde. Vooral in het basisonderwijs is het probleem het grootst, want als een docent uitvalt, heeft een klas meteen de hele dag geen les meer. Er moet een invaller komen of in het ergste geval een ouder met onderwijsachtergrond die lesgeeft. Dit kan wel structurele problemen geven. Zo ook in het middelbaar onderwijs, daar worden gaten meestal opgevuld door onbevoegde docenten. Ik was daar zelf een van afgelopen jaren. De overheid doet haar best om meer bevoegde docenten voor de klas te krijgen, maar dat is niet makkelijk, want ze zijn er simpelweg niet. Scholen zijn dus regelmatig genoodzaakt om via wervingsbureaus aan derde- en vierdejaars pabostudenten te komen die kunnen lesgeven.

In dit item van Nieuwsuur wordt daar dieper op ingegaan, want het is steeds meer aan de orde van de dag. Er is ook niets tegen te doen, want het wordt door de Onderwijsinspectie gewoon gedoogd. Anita Derks, opleidingsmanager van de Pabo in Rotterdam, vindt dat onwenselijk. Het resultaat is namelijk dat de groep vertragers steeds groter wordt, omdat de combinatie met een studie erg zwaar is. Je zou denken dat dit op politiek gebied ook een aandachtspunt moet zijn, maar niets is minder waar.

Sander Dekker, Staatssecretaris van Onderwijs, is juist erg hoopvol over het terugdringen van het aantal onbevoegde leraren. Als tegenreactie op de zorgen kwam hij met een soort ‘alternative facts’: een nieuwe manier van tellen. Door de nieuwe manier van tellen is het percentage onbevoegde leraren gedaald van 25% naar 5%. Dit heeft Dekker voor elkaar gekregen door alleen het totaal aantal onbevoegd gegeven lessen te benoemen, terwijl het tekort in het middelbaar onderwijs zich vooral bij de exacte vakken centreert. Zo’n 20% van de lessen wiskunde wordt gegeven door iemand die daar niet het juiste diploma voor heeft. Op de school waar ik zelf vorig jaar werkte, bestond de wiskundesectie voor het merendeel uit onbevoegde mensen.

Net als bij andere sectoren blijft het een kwestie van vraag en aanbod. Het aantal vacatures in het onderwijs is de afgelopen tijd enorm gestegen. Uit cijfers van Meesterbaan, een grote vacaturesite voor het onderwijs, blijkt dat er tot 1 augustus 2016 maar liefst 7000 vacatures in het onderwijs waren. Dat zijn er bijna 2000 meer dan een jaar ervoor rond dezelfde tijd. Mensen lopen weg uit het onderwijs en er zijn te weinig anderen om de gaten op te vullen. Simone Kukenheim, D66-wethouder Onderwijs, voorspelt dat het tekort in Amsterdam in 2025 verdubbelt als er niets gedaan wordt. Zij wijt het tekort aan vergrijzing in het onderwijs, jonge leraren die afhaken en de hoge eisen aan de opleidingen, vooral op de Pabo.

De overheid en de opleidingen willen er daarom alles aan doen om het vak aantrekkelijker te maken. Verschillende politieke partijen willen een fulltime aanstelling in het onderwijs terugbrengen naar 20 lesuren, er moet een hoger salaris komen en het beroep moet meer aanzien krijgen. Opleidingen spelen ook in op het tekort, zo is de Hogeschool van Amsterdam in 2015 begonnen met het aanbieden van driejarige lerarenopleidingen bij tekortvakken voor studenten met een vwo-achtergrond. Dit alles om dat type student te prikkelen voor het onderwijs. Ik ben de eerste lichting van dit traject, want in drie jaar mijn opleiding doen leek me wel fijn. Helaas is alweer de stekker eruit getrokken, omdat het geen succes was.

De druk op de politiek wordt in ieder geval steeds groter, want er moet wat gebeuren. Als er niks gebeurt, worden de gevolgen van het tekort alleen maar groter. Op 27 juni gaan leraren in het basisonderwijs massaal staken. Bijna alle scholen leggen één uur het werk neer. Wat mij betreft had dat ook een hele dag mogen zijn, of een hele week. Dan ontstaat er echt wat. Maar wie weet schudt het de politiek wakker om er toch nog eens goed naar te kijken en niet met zogenaamde goede cijfers komen.

HOOFDSTUK 3:
DE LERARENOPLEIDING

“De studententijd is de beste tijd van je leven”, zeggen mensen regelmatig. Er heerst een beeld van die tijd waarin er alleen maar gefeest wordt. Een tijd waarin je de leukste mensen ontmoet en een relaxed bestaan hebt. Op een lerarenopleiding is dit helaas iets minder het geval. Een jaar lang heb ik Communicatiewetenschap gestudeerd op de Universiteit van Amsterdam en dat was inderdaad heel leuk en relaxed. Ik had twee keer in de week een hoorcollege en twee keer in de week een werkgroep en dat was het. Er was veel tijd voor bijbaantjes en leuke dingen. Ik was lid van de studievereniging die allemaal toffe activiteiten organiseerden en heb veel vrienden gemaakt. Helaas was de studie inhoudelijk niet zo mijn ding, dus ben ik geswitcht naar de Lerarenopleiding Nederlands op de Hogeschool van Amsterdam. Dat leek me wel fijn, alles wat praktischer.

Praktisch was het zeker, ik moest vanaf het eerste jaar twee dagen stagelopen, omdat ik alles versneld deed. Daarnaast moest ik drie dagen colleges volgen en in mijn eigen tijd ook nog betaald die klassen lesgeven. Van de HvA mochten mijn betaalde uren niet als stage gelden, waardoor ik dubbel belast werd. Ik was nog geen twee weken binnen op de opleiding en ik had meteen al conflicten hierover met het management en het stagebureau. Dus een leuke start was het niet en echt leuk is het ook nooit geworden. De studentensfeer is nergens te bekennen, er zijn geen leuke activiteiten of verenigingen. Iedereen komt puur om zijn vakken te halen en meer niet. Ik snap het ook, want in het hele tweede jaar zitten nu zestien studenten. Het is gewoon heel erg klein, omdat blijkbaar niemand zo’n opleiding wil volgen.

Uit een inventarisatie van de Algemene Onderwijsbond blijkt dat het aantal studenten dat naar een lerarenopleiding gaat flink daalt. Voor de Pabo was dit in het jaar 2015 zelfs een daling van 30% en deze trend blijft doorgaan. Gelukkig zijn er ook nog studenten die wel op hun plek zitten bij een lerarenopleiding. Isabelle Stouthart studeert ook aan de Lerarenopleiding Nederlands en heeft het naar haar zin. “Ik vind het fijn dat de opleiding zo kleinschalig is en je daardoor goed contact hebt met de docenten.” Het feit dat de opleiding verder wat karig is, deert haar niet zo. “Ik hoef niet in een vereniging, want ik woon toch langer dan een uur van school af.” Hoewel ze af en toe een borrel wel leuk zou vinden.

Rosanne Beentjes is minder positief over haar tijd aan de Lerarenopleiding wiskunde. “De lerarenopleiding maakt het niet makkelijk voor studenten. Veel opdrachten en verslagen zijn totaal nutteloos voor de lespraktijk, want die is anders. Er wordt te weinig aandacht besteed aan pedagogiek.” Een goed pedagogisch klimaat zou volgens haar enorm veel gedragsproblemen kunnen voorkomen. Orde is een groot probleem voor startende docenten, wat een reden is om er vroegtijdig mee te stoppen. “Ik ben van mening dat goede pedagogische kennis veel ordeproblemen kan voorkomen.” Isabelle herkent dit verhaal van Rosanne. “Op de lerarenopleiding krijgen we allemaal theorie voorgeschoteld over hoe een perfecte les eruit moet zien en dat is totaal niet realistisch. Je kan er wel dingen uitpikken, maar zo’n perfecte les realiseren is onmogelijk.”

Dit herken ik zelf ook bij deze vakdidactische vakken. Ik heb zelfs eens tegen mijn docent gezegd: “Als ik dit bij mijn 3 mavo ga doen, wordt het een grote teringzooi.” Ik heb soms – lullig gezegd – het gevoel dat de mensen die op de lerarenopleiding het lesgeven op een middelbare school niet konden of niet meer leuk vonden en daarom maar dit gingen doen. Dit geldt heus niet voor iedereen, want er zitten heel goede tussen. Maar een goede koppeling naar de praktijk is soms ver te zoeken.

HOOFDSTUK 4:
DIVERSITEIT

WTF, de meester is homo!
De vakantie is weer voorbij, de lessen starten weer. Na een lange, strak gestuurde uitleg over het spellen van woorden in het meervoud, liet ik mijn 2 havo even los om de vakantie en het schoolfeest te bespreken. Het schoolfeest met thema supersterren, waar ik verkleed als ‘bad guy’ enthousiast heb meegedanst, vond het merendeel geweldig. Ook viel het ze op dat ik wel erg veel danste en lachte met mijn drie leuke vrouwelijke collega’s. “U bent echt een womanizer meester, we zagen u wel sjansen met mevrouw van B. En mevrouw van H.” De klas joelde en bleef er maar over doorgaan. “Hahaa geef maar toe meester, u vindt ze helemaal leuk! Wij hebben die shit echt wel in de gaten.” Eerst lachte ik het weg, maar toen het niet ophield, kwam ik met het volgende: “Jongens, luister! Ik zal jullie eens wat vertellen. Ik vind deze dames inderdaad erg leuk, we hebben veel lol, maar ik kan jullie uit de droom trekken: ik val op mannen!

Drie seconden waren ze doodstil. Zo doodstil zijn ze normaal alleen als ik boos ben geworden, wat nauwelijks gebeurt. Daarna de eerste: “Nee dat kan niet! U maakt een grapje!” “Nee hoor, ik ben bloedserieus!” “Waaaat?” En weer ontplofte er een bom in de klas. Zoveel vragen, zoveel verbazing. Ik riep de boel tot orde en ze mochten een voor een vragen stellen. “Heeft u een vriend?” “Heeft u weleens wat met een vrouw gedaan?” “Wat vonden uw ouders ervan?” Ik gaf op alles eerlijk antwoord en de klas ging helemaal los. Vanuit de ene hoek: “We supporten u, meester!!” Vanuit de andere hoek: “Ik geloof het gewoon niet! U lijkt helemaal niet op een homo.” Dat vond ik een interessante. Ik verhief mijn stem weer voor rust in te tent en herhaalde de opmerking. “Wat N. hier zegt is heel interessant, want blijkbaar hebben sommigen van jullie het beeld van homo’s dat het kerels zijn die in leren pakjes op boten dansen, of kerels die heel verwijfd doen en als een huppelend catwalkmodel rond paraderen. Dat hoeft helemaal niet. Het kan en is natuurlijk allemaal prima, maar niet elke homo is zo’n type.”

Er waren nog 10 minuten over en ik heb ze niet meer aan het werk gezet. Dit onderwerp was veel interessanter om over te praten. Ik liep rondjes en beantwoordde nog veel vragen, alles willen ze erover weten. Voor ik het wist, ging de bel en stond ik bij de deur handjes te schudden. Van velen een woordje: “Cool, meester!”, “Ik geloof het nog steeds niet”, “Leuke les!”. Een meisje bleef nog even. “Meester, ik val op meisjes!” Trots liet ze op haar telefoon foto’s van haar vriendin zien. ”We hebben al vier maanden, ze is zo leuk! Alleen de klas weet het nog niet.” We gaan nu samen bedenken hoe we dat aan de klas gaan vertellen, want dat is wel wat ze graag wil, en dan in mijn les. Blij liep ze de deur uit. Bijna niks van de les terechtgekomen, maar misschien wel de mooiste en belangrijkste les van het jaar.


Met deze column heb ik eind vorig jaar verschillende landelijke media gehaald. Dat was totaal niet mijn intentie. Ik vond het een mooie les en maak nooit zo’n big deal van mijn homoseksualiteit. Maar doordat dit stuk zo viral ging, kwam ik erachter dat diversiteit in het onderwijs nog elke dag een belangrijk issue is. Een belangrijk, maar ook lastig issue. Volgens Rob Hommen, hoofdbestuurder van Aob Roze, zijn veel leraren niet open over hun homoseksualiteit. Terwijl dit juist zo goed zou zijn, zodat leerlingen zien dat er iets als seksuele diversiteit bestaat en hier een dialoog over aan kunnen gaan.

“Als een leraar open is over zijn seksuele identiteit, dan laat hij of zij leerlingen zien dat je mag zijn wie of wat je bent. En als leerlingen dan ook nog merken dat er op school een open klimaat heerst waarin iedereen elkaar steunt en flauwe grapjes niet getolereerd worden, dan leren ze daar heel veel van. Komt een leraar in zo’n klimaat uit de kast, dan heeft dat ook niet zo’n impact op leerlingen maar vinden ze het heel gewoon”, vertelt Marinus Schouten, beleidsmedewerker bij Gay & School. Dat is waar we naar mijn idee naartoe moeten. Een klimaat waarin er niet een hele heisa ontstaat als ik tussen neus en lippen vertel dat ik op mannen val.

Toch is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Uit onderzoek van DUO blijkt dat een op de negen leraren gevoelige onderwerpen als homoseksualiteit mijdt. Zeker op scholen met verschillende culturen en geloven wordt het lastig gevonden om dat te bespreken. Zelf heb ik ook gemerkt dat vooral uit die hoek de meest verontrustende geluiden komen. “Mijn moeder zou me vermoorden” en “dat mag bij ons niet” hoorde ik in de klas na mijn eigen coming-out. Dit nam ik deze kinderen helemaal niet kwalijk, ze weten niet beter en krijgen dit van huis uit mee. Daarom is het juist zo goed als ze in aanraking komen met homoseksualiteit. Het kan hun ogen openen heb ik gezien.

Maar hoe dat dan doen? Ik snap heus dat niet elke docent het makkelijk vindt om dit soort zaken te bespreken. Gelukkig zijn er vele organisaties die voorlichting geven op scholen, zoals het COC. Zij hebben vrijwilligers die in elk type onderwijs voorlichting kunnen geven. Een andere tip is een theatervoorstelling van de Homonologen. Dit is een prikkelende, verfrissende voorstelling door zes studenten die gaat over verliefd zijn. Door de verschillende verhalen komen allerlei LHBT-thema’s aan bod en maken leerlingen daar op een leuke manier kennis mee. Wat mij betreft mag voorlichting vast curriculum worden op elke school, want ik ben ervan overtuigd dat het verschil kan maken.

HOOFDSTUK 5:
BURN-OUTS IN HET ONDERWIJS

In deze sketch van het satirische televisieprogramma Koefnoen wordt een typisch onderwijsvoorbeeld breed uitgemeten: de extra dingen die je als docent moet doen. Ik heb weleens gehoord: “Je geeft maar vijf uur les per dag en hebt ontzettend veel weken vakantie, wat zeik je?” Daar blijft het werk helaas niet bij: je moet nog lessen maken, nakijken, administratie doen, contact onderhouden met ouders en zo maar door. Dit alles zorgt voor een torenhoge werkdruk in het onderwijs, waardoor het burn-out percentage rond de 20% ligt. Dit is het hoogste percentage van alle arbeidssectoren.

Zelf zat ik eind vorig jaar ook tegen een burn-out aan. Ik gaf niet zo ontzettend veel les, maar de combinatie met een voltijdstudie was veel te zwaar. Ik moest zoveel ballen tegelijk hooghouden en op een gegeven moment ging dat niet meer. Ik kon geen leerling meer zien, kon heel weinig hebben en werd ontzettend prikkelbaar. Toen ik weer een hele nacht niet kon slapen van de stress dacht ik: dit is klaar. Ik heb ontslag genomen en heb me een half jaar lang alleen maar gefocust op mijn studie. Op die school was ik niet de enige met burn-out klachten, het is een welbekend begrip. Om me heen zag ik dat verschillende docenten op hun tandvlees liepen.

Volgens Patries van Haaren is het in de loop der jaren alleen maar meer geworden. Toen ze in de jaren 90 bijna fulltime lesgaf en daarnaast een studie Psychologie deed, was dat prima te doen. “Maar het lijkt wel steeds meer te worden. Elk kind heeft tegenwoordig wel zo’n spreekwoordelijke ‘rugzak’ en de administratieve rompslomp wordt alsmaar erger.” Zelfs op het hbo waar ze nu werkt, heeft ze daar last van. “Er zijn zo ontzettend veel taken bijgekomen dat ik soms denk: ik maak hier nog net niet de wc’s schoon.” Dan zijn er ook nog allemaal onderwijsvernieuwingen die moeten worden doorgevoerd. “Ik denk dan: waarom in hemelsnaam? Het voelt steeds meer als een hard rijdende trein waar steeds meer mensen afvallen.” Patries heeft zelf nog nooit een burn-out gehad. “Ik heb de indruk dat je in het onderwijs steeds meer getest wordt op je assertiviteit. Je moet goed voor jezelf zorgen en dat kan ik wel. Je moet nee durven zeggen op bepaalde verzoeken, dan kook je niet over en red je het wel.”

“Er zijn zo ontzettend veel taken bijgekomen. Ik maak hier nog niet de wc’s schoon.”

Rosanne Beentjes herkent dit beeld. “Naast het lesgeven heb je zo’n hoop administratie dat je eigenlijk een typegeit moet hebben om nog tijd te hebben om in je lessen te kunnen investeren. Er wordt een hoop misbruik gemaakt van docenten die hard willen werken voor de leerlingen. Die mensen vallen dan ook vaak om.” Volgens haar worden docenten niet beloond voor al het werk dat zij verrichten. “Als de overheid een kenniseconomie wil opbouwen, moet er flink geïnvesteerd worden in het onderwijs, zodat er goede docenten zijn en het vak meer aanzien krijgt. Als je goede docenten wil, moet je ze ernaar belonen.” Dit betekent concreet meer geld en een lagere werkdruk. Dat is nodig, omdat docenten anders ooit een burn-out krijgen, of het onderwijs voorgoed vaarwel zeggen.

“Als je goede docenten wil, moet je ze ernaar belonen.”

Anne van Wessel ziet de burn-outs in het onderwijs ook om haar heen. “Mijn moeder werkt nog in het basisonderwijs en had vorig jaar een burn-out. Zelf herkende ze dat niet, maar na gesprekken met de bedrijfsarts kreeg ze wel degelijk die diagnose.” Volgens Anne is in het onderwijs de werkdruk torenhoog en het aanzien laag. Daarom zouden veel mensen dit beroep ook niet meer willen. “Ik ben dit jaar in Finland geweest en daar is dat zo anders. Mensen staan in de rij om aan een lerarenopleiding te mogen studeren en het beroep heeft veel aanzien. Een beetje zoals Geneeskunde in Nederland.” In Finland krijgen leraren niet eens zoveel meer salaris, maar de werkdruk is lager en ze worden gezien als belangrijke mensen.

HOOFDSTUK 6:
HOE NU VERDER?

Dan rest mij nog een vraag: hoe lang ga ik dit zelf nog leuk vinden? Onderwijs is in ieder geval een ontzettend dynamisch beroep waar elke dag weer anders is. Het is nooit saai en elke dag gebeurt weer wat anders. Ik geniet van het contact met die pubers en kan vreselijke lol met ze hebben. Toch zie ik ook de schaduwzijde van het beroep, dus tot slot nog een lijstje met mijn suggesties hoe dit werk voor mij wel leuk zou blijven:

  • Maximaal drie dagen per week. Ik denk dat als ik naast het werk als docent ook andere dingen kan doen, ik het veel leuker blijf vinden.
  • Alle docenten in salarisschaal twaalf, van basisonderwijs tot hbo. Ik vind het zo’n flauwekul dat het ene makkelijker is dan het andere. Lesgeven moet gewoon beloond worden, voordat niemand het meer wil doen.
  • Minder lesuren bij een volledige aansteling. Tegenwoordig moet een docent op een middelbare school gauw 25 lesuren geven bij een fulltime dienstverband. In de politiek ligt al een voorstel om dit terug te dringen naar 20 en dat lijkt me een uitstekende zaak.
  • Help elkaar! In plaats van dat elke docent zijn eigen les voorbereidt, kun je dat ook samen doen voor de hele jaarlaag. Dat scheelt een hoop werk en zo steek je nog wat van elkaar op.
  • Why so serious? Ik mis zo vaak de luchtigheid in het onderwijs. Alles moet van iedereen altijd zo serieus en gefocust op de leerdoelen. Soms lijkt het alsof ik de enige ben die vindt dat pubers ook pubers mogen zijn. Maak plezier met ze!

HOOFDSTUK 7:
MÉÉR!

Om nog eens van een ander te horen waarom fulltime lesgeven niet leuk is en waarom er echt wat moet veranderen, raad ik dit stuk van onderwijsjournalist Johannes Visser aan.

Bronnen:

http://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2127627-lerarentekort-leidt-tot-steeds-grotere-problemen.html

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/14/het-lerarentekort-wordt-juist-groter-a1545808

http://www.parool.nl/amsterdam/lerarentekort-meer-geld-en-gemak-moeten-leraar-lokken~a4493472/

http://www.ncoj.nl/factsfigures/onderwijs/2016/fc2016_hbo.php

https://www.intermediair.nl/carriere/werk-en-leven/gezondheid-stress-burnout/Het-onderwijs-brandt-mensen-op?utm_referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.nl%2F

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *